Ongewenst kinderloos

Carpe diem

Anne van Dijk – Reijnen

Op het moment dat ik dit schrijf, ben ik nog net 35 jaar. Soms voel ik me alsof ik 70 jaar ben; zoveel verdriet en ellende hebben mijn pad al gekruist. Toch ben ik over het algemeen een vrolijke en levendige meid. Meid? Ja, ik voel me meestal een meid omdat ik me, in tegenstelling tot wat ik hierboven schreef, geen vrouw voel van 35 jaar. Ik voel me jong, speels, levendig. Ik zoek de leuke dingen op in het leven, met mijn dierbare vrienden en vriendinnen, én natuurlijk met mijn familie. ‘CARPE DIEM’, is de lijfspreuk in ons gezin geworden het laatste jaar. De andere kant is dat ik me geleefd voel en veel heb meegemaakt voor iemand van 35 jaar.

Ik ben al ruim achttien jaar samen met mijn man Stijn. Een groot deel van het verdriet hebben we samen meegemaakt. Al ging het voornamelijk over mij en mijn lijf, Stijn doorleefde het met mij alsof het ook zijn lijf was. Stijn is mijn steun en toeverlaat, mijn rots in de branding. Ik moet even huilen als ik dit schrijf. Het ontroert me hoe trouw hij is. Menig man was gaan lopen, hij bleef! Mijn man, mijn levenspartner is mijn beste maatje.

Op dit moment zitten wij wederom in ‘zwaar weer’. Mijn moeder, de vrouw die altijd aan mijn zijde stond en een hoofdrol heeft in mijn leven, is ongeneeslijk ziek. We weten net een paar weken dat zij zal gaan sterven en nog ‘lange’ maanden heeft. Natuurlijk proberen we van alles, maar haar kansen zijn zeer klein. En weer huil ik, omdat ik me nu weer piepjong voel. Waarom moet ik zo jong mijn moeder verliezen? Mijn moeder is een vrouw die leeft, altijd midden in het leven staat, geniet en bovenal moeder is. Ze is er altijd voor mij en mijn zusje, eigenlijk voornamelijk voor mij. Niet omdat zij mij voortrekt, nee, omdat mijn zusje een ander leven heeft en zichzelf altijd heeft gered. Bij mij ligt dat anders, dat zal in de loop van dit verhaal duidelijk worden.

Ik hoorde op mijn achttiende dat ik het MRKH-syndroom heb. Bam! In één klap hoor je dat biologische kinderen er nooit zullen komen, dat mijn lichaam niet geschikt is voor het maken van baby’tjes, dat mijn buik nooit een kindje zal dragen. Toch gingen wij, Stijn en ik, door met leven, en dat lukte. Tot januari 2015, nu ruim anderhalf jaar geleden. We waren inmiddels gestart met ons adoptieproces, want wij, en iedereen om ons heen, wisten het zeker: wij zouden fantastische ouders worden! Helaas mocht ook dit niet zo zijn. De Stichting waar we bij aangesloten waren, stopte met hun werkzaamheden. En zo waren we in één klap weer een droom kwijt.

Diagnose

Als ik vijftien jaar ben, zit ik voor het eerst bij de gynaecoloog, met mijn moeder. Zij week niet van mijn zijde. Nooit! Mijn lijf is goed ontwikkeld, ik heb vroeg borstontwikkeling. Ter illustratie; in de brugklas draag ik mijn eerste BH. Ik menstrueer nog niet op mijn vijftiende.

Dat is volgens de statistieken een beetje zorgwekkend. De gynaecoloog maakt een echo. Niks aan de hand is de boodschap, dus gerustgesteld naar huis. Mijn beste vriendinnetje menstrueert ook niet, dus ik maak me totaal geen zorgen. Uiteraard komt het moment dat zij haar eerste menstruatie krijgt, zestien jaar zijn we. Vanaf dat moment voel ik me alleen en eenzaam in mijn zijn. Niet continu, want ik ben een ster in het wegstoppen van mijn gevoel. Maar vaak voel ik me wel alleen. Ik begrijp mezelf niet, mijn lijf niet. Toch houd ik hoop. Al weet ik al heel lang dat er iets niet in orde is.

Ik kom weer bij de huisarts en dit keer krijg ik een kuur die ervoor moet zorgen dat mijn eerste menstruatie wordt opgewekt. Er gebeurt van alles in mijn lijf, maar een bloeding komt er niet. Ik ben er ziek van, heb buikpijn die ondraaglijk is, en ben heel erg misselijk. Ik ga wederom naar een gynaecoloog, voor de tweede keer in mijn leven; ruim zestien jaar ben ik dan.

Daar zit ik weer in een wachtkamer vol zwangere (oudere) vrouwen, samen met mijn moeder. Opnieuw wordt een echo gemaakt, gevolgd door een inwendig onderzoek. Dit lukt niet, wat achteraf gezien logisch is. Ik heb, in tegenstelling tot veel andere vrouwen met dit syndroom, een aangeboren vagina die ongeveer vier centimeter diep is. Aan de buitenkant is er niks aan mij te zien, zelfs niet als je met je benen wijd in de beugels ligt. De gynaecoloog geeft niet zomaar op, hij duwt zijn eendenbek door naar binnen. Ik kerm van de pijn. Hij stopt en zegt te denken dat ik vaginistisch ben. Vagi-wat? Ik ben zestien jaar, hartstikke maagd en heb geen idee waar hij het over heeft. Op de echo ziet hij een ‘verkleinde’ baarmoeder. Achteraf gezien natuurlijk onzin, maar op zo’n moment geloof je alles. In het bijzonder artsen, want die zullen het wel weten. En weer gaan we naar huis met de boodschap dat het wel goed komt.

In die periode leer ik Stijn kennen. Al snel wordt het serieus tussen ons. Geslachtsgemeenschap blijkt moeilijk, maar wij vinden er onze weg in. We zijn gelukkig samen. Op mijn zeventiende ga ik weer naar de gynaecoloog. Natuurlijk gaat mijn moeder mee. Dit keer tref ik weer een mannelijke arts. Dit blijf ik confronterend en moeilijk vinden. Helaas geeft deze arts niet op bij het inwendig onderzoek. Lukt het niet vaginaal, dan doen we het rectaal, heeft hij gedacht. Hij duwt wederom een eendenbek bij me naar binnen, in mijn rectum. Ik schreeuw het uit van de pijn. Want naast dat ik hartstikke zenuwachtig ben en daardoor alle spieren in mijn lijf aanspan, zit hij ook in mijn rectum. Wat mij betreft de meest intieme plaats van mijn lijf! Het lijkt erop alsof deze slager, zo noem ik hem sindsdien, mij niet hoort… Mijn moeder springt op en gaat tussen ons in staan. Ze beveelt hem te stoppen met zijn achterlijke onderzoek. Ze wijst hem op mij; een jong meisje, huilend in de stoel van de pijn én schaamte. Na het onderzoek kan ik niet fatsoenlijk lopen, en al helemaal niet fietsen. Thuis gekomen duik ik in bed en daar blijf ik de rest van de dag. Ik voel me anaal verkracht, door een arts.

Op mijn achttiende durf ik weer naar het ziekenhuis, dit keer omdat er een vrouwelijke gynaecoloog is aangenomen. Vrij snel na de echo verdwijnt ze, omdat ze even wat moet opzoeken. Ze komt terug en brengt ons, mijn moeder en mij, de verwoestende uitslag; Je hebt het MRKH-syndroom. We krijgen een stenciltje mee met daarop wat informatie en een doorverwijzing naar het LUMC in Leiden. In het LUMC werkt een arts die gepromoveerd is op dit syndroom. Philomeen, de arts die ik bij haar voornaam mag noemen, neemt ons mee naar een gezellig ingerichte kamer met fauteuils. We nemen plaats; papa, mama, Stijn en ik. We praten, ze lijkt alle tijd te hebben. Na het gesprek vraagt ze me of ze me mag onderzoeken. Jeetje, wat een verschil! Ongelooflijk. Ik voel me menswaardig, ik voel me vrouw en bovenal voel ik me gehoord. Ze onderzoekt me en stelt nog een keer vast wat we al wisten: MRKH.

Praatgroep

In september start een praatgroep met vrouwen die hetzelfde hebben als ik. De eerste bijeenkomst kan ik er niet bij zijn, want mijn vader heeft zijn 25-jarig werkjubileum en dat wordt uitgebreid gevierd. Twee weken later ben ik er wel bij. Samen met mijn moeder reis ik om de twee weken, zes keer in totaal, naar Leiden. Een treinreis van tweeëneenhalf uur enkele reis. Mama reist mee omdat ze mij niet alleen wil laten gaan en zij gaat gedurende de praatgroep de stad in.

Ik sta in de lift in het immens grote gebouw. Naast mij staat een meisje. Ik denk nog: Zou zij er ook bij horen? Later blijkt van niet. In de praatgroep zitten acht vrouwen en twee voorzitters, beiden ook gediagnosticeerd met MRKH. We hebben het over de diagnose, de gevolgen. Ook hebben we het over seks, want dat blijkt toch een andere dimensie te krijgen als je MRKH hebt. We hebben het over geen kinderen kunnen krijgen. Ik ben achttien jaar op dat moment, echt totaal niet bezig met wel of geen kinderen krijgen. Het raakt me, maar niet in mijn ziel.

De zes bijeenkomsten zijn zo voorbij. Ik kijk erop terug met gemengde gevoelens, want ja: ik heb MRKH maar bén geen MRKH. Ik ben veel meer dan dat. Jarenlang achtervolgt dat gevoel me: de Stichting stuurt nieuwsbrieven met de aanhef “Beste MRKH-vrouw”. Dat blijft me raken. Het klopt niet voor mijn gevoel. Aan een vrouw met kanker schrijf je ook niet “Beste kankermens”. Ze veranderen het niet. Ik begin me langzaam te distantiëren van de stichting omdat ik me niet kan conformeren met hun wijze van benaderen. Dit gevoel ontstaat tussen mijn twintigste en vijfentwintigste levensjaar.

Ik pak mijn leven op. We krijgen ongeveer tegelijk met het nieuws van het MRKH een telefoontje dat ons hondje geboren is. We noemen hem Guusje. Guusje komt in oktober bij ons. Meteen al vult hij het gat wat wij voelen in ons samenzijn. Hij is onze baby, onze steun en toeverlaat, onze knuffelbeer. Hij is het middelpunt van ons samenzijn. We zijn verliefd op hem en hij mag maar liefst vijftien jaar en negen maanden bij ons zijn.

Vinger aan de pols

Op mijn 22e schrijf ik naar het televisieprogramma Vinger aan de pols. Ik heb net een programma gezien waarin een meisje van mijn leeftijd vertelt over haar leven met alleen maar mannelijke hormonen. Er zijn veel overeenkomsten met mij. Ook zij heeft geen inwendige vagina en geen baarmoeder. Ook dat is zeldzaam, net als MRKH. Ik vind dat MRKH meer bekendheid verdient, vooral bij de gynaecologen. Daar is veel winst te behalen, want de diagnose kan sneller. Bij mij duurde het ruim drie jaar en vier gynaecologen voor de diagnose gesteld is. Maar later leer ik dat dit een simpele optelsom is. Doordat het zo zeldzaam is, kennen gynaecologen het niet. Inmiddels weet ik van een bevriende gynaecoloog dat het in hun studie wordt behandeld! Yes!

Terug naar Vinger aan de pols. Ik krijg geen reactie op mijn brief. Totdat ik jaren later in de nieuwsbrief van de Stichting MRKH lees dat ze patiënten zoeken voor dit programma. Meteen spring ik weer in mijn pen. Anderhalve week later word ik gebeld en gaat het balletje rollen. Ik zit naast Pia Dijkstra aan tafel. Tegenover mij (ik ben op dat moment bijna 24 jaar) zit een vrouw van 30 jaar. Daarnaast een dame van 50 jaar en daartegenover en tevens naast mij een dame van 65 jaar. Vier generaties vrouwen met dezelfde diagnose vertellen over hun leven met dit zeldzame syndroom. Ruim van tevoren zijn ze bij mij geweest met een voltallige cameraploeg. Ze filmen mij thuis terwijl ik mijn verhaal vertel. Met de camera op mij gericht bel ik de vereniging van gynaecologen om hen te vragen naar hun kennis van het MRKH-syndroom. Ik vang bot.

We filmen ook in het UMC Radboudziekenhuis in Nijmegen. Daar zit een arts die, net als mijn held, de gynaecoloog uit het LUMC, gespecialiseerd is in MRKH. Helaas wordt dit uit de uitzending geknipt. Te veel te vertellen en te weinig ruimte. De rest van mijn verhaal blijft er wel in. Aan tafel praten we over onze gevoelens. Ik voel me sterk, krachtig en op mijn plaats. In het publiek zitten Stijn, mijn ouders, mijn fantastische zus en mijn beste vriend. Als de uitzending afgelopen is, draai ik me naar hen toe en zie ik tranen bij hen allemaal. Dan moet ik ook huilen. Huilen van opluchting en huilen van trots. Wat ben ik trots dat zij daar zitten om mij te steunen.

Een aantal maanden voor de uitzending word ik benaderd door het LUMC en de Stichting MRKH. Jaarlijks organiseren zij een dag voor patiënten met MRKH en familieleden. Zij bellen mij of ik in de collegezaal een praatje wil houden. Dat doe ik. Met mijn man en zus rijden we naar Leiden. Ik vertel daar over het programma, mijn ervaring en mijn leven met MRKH. Na afloop komt er een meisje naar me toe. Ze pakt me vast en zegt me hoe blij ze is dat ze mij heeft horen spreken. Ze herkent zichzelf in mij en is blij te zien dat zij niet de enige is die leeft zonder nadruk te leggen op het syndroom. We knuffelen elkaar en vervolgen onze weg.

Op de dag van de uitzending komen we met mijn familie, Stijn zijn familie en onze beste vrienden samen in ons huis om gezamenlijk de uitzending te bekijken. De tissues staan klaar, maar blijken niet nodig. Ik zweef na de uitzending, word door mijn dierbaren in de armen gesloten en gecomplimenteerd met mijn optreden. Ze zijn trots, ik ook. De sms’jes en e-mails overvallen me. Van alle kanten word ik geprezen. In mijn woonplaats komen mensen in de supermarkt naar me toe met tranen in de ogen en zeggen me dat ze het zo mooi en dapper vonden. Ook mensen die ik niet ken. Het lijkt alsof ik een beerput open heb getrokken en man, wat ben ik daar trots op!

Een goede vriendin van mijn moeder, destijds een oud-collega van haar, komt naar mijn moeder toe. Ze huilt. Ze zegt mijn moeder dat ze ons zo dankbaar is. Door de uitzending weten ze eindelijk wat er met haar dochter aan de hand is. Zij blijkt na een onderzoek in Nijmegen inderdaad hetzelfde te hebben als ik. We ontmoeten elkaar nog steeds af en toe en hebben het over van alles, behalve MRKH.

Adoptie

In de jaren die volgen, hebben we het samen wel eens terloops over adoptie. In onze directe omgeving worden steeds meer baby’s geboren. Ik kan daar prima mee omgaan. Waarschijnlijk omdat ik al van jongs af aan weet dat dit er voor ons niet in zit. Toch begint het te kriebelen bij mij, mijn eierstokken beginnen langzaam te klapperen. Stijn laat dit gevoel niet toe, de gesprekken die we erover hebben komen aanvankelijk alleen van mijn kant. Hij zegt keer op keer: “Ik kan niet zo ver vooruit kijken Anne, ik weet niet wat ik dan wil. Nu wil ik het niet, dat weet ik wel!” Dat doet pijn, want als wij ooit een kindje willen, moeten we juist wel vooruit kijken. Ik voer de frequentie van deze gesprekken op. Niet om aan te dringen, maar om door te dringen tot Stijn, omdat we wel moeten nadenken over onze toekomst. Adoptie is een lang en slopend proces. Willen we niet ‘hoogbejaard’ zijn als we ouders worden, moeten we er echt over nadenken.

Op een avond zegt hij me dat hij echt niet wil. Ik ben zover dat ik echt wel wil en me geen leven kan voorstellen zonder kindje. Ik zeg dit tegen hem. We slapen beiden niet van de druk die op ons ligt. De volgende dag, als Stijn uit zijn werk komt, zegt hij me dat hij bang is, bang om weer teleurgesteld te worden. En man, hadden we maar naar zijn gevoel geluisterd. Hij wist toen onbewust al wat wij nu, vele tranen later, weten. Ik vertel hem dat angst mag, vooral gezien ons bewogen verleden. Alleen vertel ik hem ook dat angst nooit mag leiden.

Inmiddels komen er naast onze ongewenste kinderloosheid veel meer bedroefdheden op onze weg. Onze langgekoesterde droom, een mooie bruiloft op de dag dat wij precies twaalf-en-een-half jaar samen zijn, loopt uit op een groot verdriet. Ik word een aantal weken voor onze bruiloft ziek. Veel pijn, (nog) zonder duidelijke diagnose. De wachtlijst voor de reumatoloog blijkt ondoenlijk lang. Door het gebruik van medicijnen gedurende onze grote dag, word ik in de loop van de dag steeds zieker. Ik lijk er allergisch op te reageren. Hierdoor missen we het feest grotendeels. Dat vind ik tot op de dag van vandaag enorm verdrietig, vooral ook omdat ik op andere bruiloften vaak de zaal word ‘uitgeveegd’. Onze bruiloft staat in het teken van onze grote droom: een kindje adopteren. Vlak na de bruiloft krijgen we de diagnose: reuma. Bam! Daarnaast heb ik twee huidaandoeningen: vitiligo en psoriasis.

Stijn geeft me gelijk, angst mag geen leidraad zijn. We starten het adoptieproces en we gaan ervoor! We nemen de tijd om de papieren te lezen en in te vullen en gooien deze samen in de brievenbus, voor ons een symbolisch moment.

De molen begint. We starten met de verplichte cursus en zijn beiden zeer overtuigd van onze beslissing, in tegenstelling tot een aantal andere stellen in de cursus. Bij hen zien we nog een verdeelde twijfel; de een wil wel adopteren, de andere twijfelt nog. Dat mag gelukkig in de cursus. Al doende kom je erachter of je door wilt zetten. Gedurende de cursus horen we dat er bijna nooit meer gezonde kindjes geadopteerd worden, omdat deze bijna altijd in het land zelf adoptabel zijn. Dit valt mij zwaar. We kunnen dus geen ‘eigen’ kindje en nu ook al geen ‘gezond’ kindje krijgen. Ik heb hier in de week erna een paar keer heel hard om moeten huilen. Later besef ik dat dit kindje juist perfect past bij ons, ik ben immers ook (nogal) een ‘special needs person’ met mijn aandoeningen.

We wonen tevens een bijeenkomst bij die speciaal georganiseerd wordt voor familie en vrienden van aspirant adoptieouders. We zitten daar met een redelijk grote delegatie. Het animo in onze omgeving blijkt groot. Mijn ouders en schoonouders zijn erbij, mijn zus, zwager en beste vriendin en vriend gaan mee. Ze horen de verhalen aan en mogen vragen stellen. Ook zij zijn onder de indruk van het loodzware proces waar wij in zitten en wat ons nog te wachten staat.

De gesprekken met de Raad van de Kinderbescherming vallen ons zwaar. Wij vinden het pittig om zo doorgelicht te worden terwijl er genoeg mensen ouders worden die in mijn ogen minder geschikt zijn. Dat we daarnaast ook zeer specifiek moeten aangeven welke afwijkingen bij ons welkom zijn en welke niet, vind ik intensief, omdat het toch voelt alsof we bepaalde kindjes afwijzen. We komen erachter dat we zeer breed georiënteerd zijn. Klompvoetjes, een operabele hartafwijking, oog- of oor-afwijkingen, het missen van een ledemaat (mits het kindje kan lopen), we staan er allemaal voor open. We slagen uiteindelijk met vlag en wimpel en dit vieren we bescheiden met onze familie en vrienden. We halen taart en krijgen cadeautjes. De cadeautjes bewaar ik goed, voor het moment dat ons kindje komt.

We weten al vrij snel voor welke stichting we kiezen. Bij adoptie moet je kiezen uit een van de, toen nog zeven en nu inmiddels zes, vergunninghouders. Wij kiezen voor Stichting Afrika, dat voelt goed, een kleine stichting. Afrika, een continent waar wij verliefd op zouden kunnen worden (kunnen worden, want we waren er immers nog nooit geweest) en waar we weten dat we iets kunnen betekenen voor ons kindje. In het eerste gesprek met Stichting Afrika wordt ons al de vraag gesteld of we voor een HIV positief kindje willen gaan. Dit zou de wachttijd aanzienlijk verminderen en zij schat ons in als mensen die dit aankunnen. Ik geef (wederom) aan (net zoals bij de RvdK) dat ik hiervoor wil gaan. Stijn geeft duidelijk aan dat hij dit niet ziet zitten, vanwege het stigma wat er op heerst. We worden op de reguliere wachtlijst gezet. Destijds zou dit twee jaar zijn.

We pakken ons leven op, met in ons achterhoofd een aftellende kalender. Als we in de buurt komen van die twee jaar, belt Stijn met Stichting Afrika. De adopties zijn enorm gestagneerd, we moeten echt wel rekening houden met een langere wachttijd. Slik… en weer gaan we door. Ondertussen worden kindjes geboren bij bevriende stellen die stukken korter samen zijn dan wij, wat ik eerlijk gezegd best moeilijk vind, ook al gun ik het iedereen zo!

Mijn zusje wordt zwanger. Slik. Wat moeilijk voor ons, maar ook het meest bijzondere wat ik heb meegemaakt. Mijn zus en zwager nemen ons mee naar een echo, we mogen haar al zien nog ruim voordat ze geboren is. Ik ben op slag verliefd. In december 2013 wordt ze geboren. Ik heb dit in de nacht voor haar geboorte gedroomd en droomde ook dat ze naar mij vernoemd werd. Ik zeg dit ’s ochtends tegen Stijn en hij kijkt me aan alsof ik gek geworden ben. Dus op mijn werk deel ik het nog maar een keer met mijn lieve collega. Gelukkig blijk ik niet gek geworden, want om half 11 die ochtend gaat de telefoon: mijn zus! Ze is bevallen. Dus toch?! En inderdaad, ze is in haar tweede naam naar mij vernoemd. Ik huil van geluk en mag meteen komen.

In de tussentijd bellen we regelmatig met Stichting Afrika om op de hoogte te blijven. Ik ben het die de optie om voor een HIV positief kindje te gaan nog eens aanhaalt. Ik heb er zoveel over nagedacht. Ik snap Stijn, maar wij kunnen in Nederland een kindje met HIV een relatief gezond leven bieden. Ik vind dat we erover moeten praten, en praten doen we, heel veel. Stijn is op dat moment met een NLP opleiding bezig. Hij bespreekt het daar, overweegt het opnieuw, en komt tot de conclusie dat het onze beslissing moet zijn en dat anderen daar geen grip op mogen hebben. We gaan ervoor, is zijn beslissing. We spreken af dat we een gering groepje vrienden en onze naaste familie inlichten. Maar eerst moeten we opnieuw naar de RvdK om goedkeuring te krijgen, welke we krijgen. Uiteraard bezoeken we onze huisarts meerdere malen en wonen we menig bijenkomst bij over HIV, georganiseerd voor (aspirant) adoptieouders. We lezen veel en komen hierdoor tot de ontdekking dat het ministerie van volksgezondheid onjuiste informatie over HIV op hun pagina heeft staan.

Vervolgens lichten we onze familie en vrienden in over onze keuze. We krijgen veel bijval, gelukkig. Ook ontstaat er discussie over gevaar voor mijn neefjes en nichtjes. Logisch, misschien zou ik hetzelfde doen als mijn eigen kinderen hieraan blootgesteld zouden worden. Toch ebt de discussie op natuurlijke wijze weg. Daarnaast spreken we af dat we ons kindje te zijner tijd zelf de keus geven om hier open over te zijn of niet; het mag zijn of haar keus zijn. Op dit moment in ons proces beseffen we dat het nu snel kan gaan. Yes, precies wat we willen na ruim zes jaar wachten.

Brief die ons leven voor altijd verandert

In januari lig ik al een week met griep in bed, als Stijn om half 12 ’s avonds de slaapkamer op komt na een vergadering. Hij ziet er verward uit en heeft een brief in handen van Stichting Afrika. Hij zegt: “Ik denk dat je deze even moet lezen Anne.” Ik schrik me kapot, want van binnen voel ik dat er iets niet klopt. De strekking van de brief is dat de stichting per direct stopt met de werkzaamheden en de lopende adopties nog zal afronden. In de brief staat dat het niet meer rendabel is om door te gaan met de stichting. Ik denk meteen dat wij geen lopende adoptie zaak hebben, dat wij nog steeds een nummer op de lijst zijn. Ik voel de klap meteen en huil. Bijna gelijktijdig moet ik braken, omdat ik voel dat dit niet meer goedkomt. Stijn draagt nog van alles aan, onder andere dat we worden overgenomen door een andere vergunninghouder. Ik weet meteen dat dit niet kan, want welke aspirant adoptieouder staat dit toe? Wie staat er toe dat wij, met weet ik veel hoeveel andere gedupeerde stellen, voor hen op de lijst geplaatst worden? Juist, niemand! Het is half twaalf ’s avonds en ik app een vriendin of ik mag bellen. Ik mag bellen en doe dat meteen. Door mijn gehuil verstaat ze me niet. Ik probeer het stamelend uit te leggen. Ik probeer uit te leggen aan iemand die geen kinderen heeft dat onze grootste wens in duigen is gevallen. Ze huilt met me mee. Ik heb op dat moment geen idee of ze me begrijpt en daar ben ik ook niet mee bezig.

Ik slaap de hele nacht niet (en de nachten die volgen slaap ik ook niet). De volgende dag wil Stijn gaan werken. Ik vraag hem wat hij gaat doen. Stijn is een echte workaholic, samen met zijn broer en vader runt hij een bedrijf. Hij verdrinkt zich graag in zijn werk, dat is zijn afleiding. Toch wil ik dat hij bij me blijft, om samen te huilen en onze familie in te lichten. Maar bovenal om Stichting Afrika te bellen en uit te zoeken hoe het zit. Ik wil weten of we nog hoop mogen hebben. Stijn beseft dat hij thuis moet blijven. We liggen samen in bed, huilen. Om half 10 bellen we met de stichting. Ze beantwoorden de telefoon niet. Dit vind ik tot op de dag van vandaag ongelooflijk. Net zoals ik het ongelooflijk vind dat zij ervoor gekozen hebben ons, aspirant adoptieouders die zo lang op de lijst hebben gestaan, middels een brief in te lichten en zo ons leven finaal overhoop te gooien.

In de loop van de ochtend bellen we mijn ouders. Mijn ouders hebben altijd ontzettend meegeleefd met ons. Zij die altijd met ons mee droomden, ons aan zagen komen op Schiphol met ons kleine zwarte kindje en zij, die dan stonden te wachten om hun kleinkind te ontmoeten. Mijn ouders zitten in de auto. Ik zeg hen dat ze naar ons toe moeten komen, dat we slecht nieuws hebben over de adoptie. Ik hoorde mijn vader al denken toen ik zei dat ze naar huis moesten komen: Ja, er komt een kleinkind. Ik haalde hem daarom meteen uit die droom. Als zij binnenkomen weten ze al dat het geen goed nieuws is. Mama huilt met mij mee. Papa zit verslagen rond te kijken en vloekt wat. Er valt niks over te zeggen… Mijn schoonzusje komt later binnen, met een ‘feel good’ pakketje, vol chocolade. Ze had het gehoord van mijn zwager en tevens zakenpartner van Stijn. Ze knuffelt me en gaat weer. ’s Avonds komen onze beste vrienden, we zitten samen aan tafel en huilen samen, ook lachen we, gelukkig. Ik kan nog lachen, dacht ik toen.

De dagen en weken erna zijn enorm zwaar. Ik eet amper en slaap amper, de deur kom ik niet uit. Ik denk veel na over mijn leven en zie eigenlijk geen reden om door te gaan. Ik denk veel aan de dood. Achteraf gezien zat ik in een crisis, groot genoeg om hulp te zoeken. Toch doe ik het zelf, voornamelijk alleen, en af en toe met hulp van vriendinnen. Mijn vriendinnen proberen me er doorheen te slepen, zo goed en kwaad als het gaat. Twee van mijn beste vriendinnen zitten op dat moment ook in een hele moeilijke periode. We zoeken elkaar geregeld op en huilen samen om hoe onze levens overhoop liggen. Een van die meiden sleept me mee naar een sushirestaurant, want voor sushi mag je me altijd wakker maken. Ik ga voor het eerst naar een openbare gelegenheid, drie weken na die alles verwoestende brief. Het doet me goed.

Omdat we er beiden niet beter van worden, Stijn en ik, van ons verdriet, mijn thuiszitten, het medeleven en soms de medelijdende blikken; besluiten we op vakantie te gaan. De zon zal ons redden. We vliegen naar Egypte en wonder boven wonder helpt het. Ruim drie weken na de brief zitten we daar… 35 graden in de volle zon, met z’n tweeën. We genieten van elkaar, ik lees veel, slaap eindelijk weer en kan weer eten. Daar klim ik langzaam uit mijn dal. Na de vakantie probeer ik mijn werk weer op te pakken, met vallen en opstaan. Ik leef weer.

En dan komt Moederdag weer in beeld. In de loop van de jaren ben ik dit steeds lastiger gaan vinden, want ik ben nog steeds geen moeder en mijn wens is echt vreselijk groot. Nu krijgt Moederdag een heel andere dimensie; ik ben geen moeder en word het ook nooit meer. Ik zie er al weken tegenop. Ik vraag mijn man of we deze dag kunnen gebruiken om onze verwoestte droom symbolisch te begraven in onze tuin. Ons kindje bestaat immers al jaren in ons hart. We verzamelen alle spulletjes voor ons kindje die we ooit kregen van familie en vrienden en doen deze in een mooi doosje. Ik heb een gedicht geschreven wat ik op een bordje schilder. Dit bordje hangt nu boven dit symbolisch ‘grafje’.

Born in our hearts,

Always in our thoughts,

wished for so long,

our love for you so strong.

You’ll always be our favorite “what if”.

Weer afscheid nemen

In juni, ruim vier maanden na onze vakantie in Egypte, gaan we naar Zuid-Spanje. Een oom en tante van Stijn hebben daar een mooi huis met zwembad en uitzicht op de zee. Zij hebben ons aangeboden gebruik te maken van het huis, meer konden zij niet voor ons doen, zeiden ze. We gaan er dankbaar heen. Twee weken genieten we van ons leven als ‘Spaanse goden’. Als we bij de zee zitten, zeggen we tegen elkaar dat we na thuiskomst snel met onze Guus (ons hondje) naar de zee moeten.

En dat doen we. Helaas niet om de reden die we voor ogen hadden. Al snel na thuiskomst blijkt ons hondje steeds zieker te worden. Mijn schoonzus is dierenarts en dat blijkt nu echt heel handig. Want ons hondje is ons kindje, onze trots en rots in de branding. We willen er alles aan doen om hem een mooi leven te geven, maar hij mag niet onnodig lijden. Exact drie weken na terugkomst uit Spanje gaat hij zienderogen achteruit. We besluiten hem nog een dagje zee te geven. Guusje kan al een paar weken niet meer goed lopen, dus we hebben hem in zo’n klein hondenwagentje zitten. Op het strand aangekomen tillen we hem uit zijn warme deken en het wagentje. Hij loopt zo naar de zee en daar staat hij te genieten van de zee aan zijn voetjes, de wind om zijn oren… De foto zoals hij daar toen stond, hangt nu in onze tuin.

Op 15 januari 2015 verliezen wij ons kindje, want ze heeft al geruime tijd een naam en we zien haar voor ons. Op een of andere manier denken we dat het een meisje werd. Zola Lotte van Dijk zou ze heten. Lotte, vernoemd naar mijn zus. Op 18 juni verliezen wij ons hondje, onze Guus, ons beste vriendje en onze grote steun en toeverlaat. Hij slaapt vredig in.

Nieuw leven

We zijn tot op de dag van vandaag geraakt en gevormd door deze twee grote gebeurtenissen in ons leven. Meteen na het overlijden van onze Guus voelt ons huis niet meer als thuis. We missen een klein kwispelend vriendje. We gaan dan ook vrij snel op zoek naar een nieuw maatje, en dat is Tieske, die op 13 juli 2015 bij ons komt. Hij geeft ons nieuwe moed en nieuw plezier, maar het blijft met een gekarteld randje…

Inmiddels is mijn zus in verwachting van een tweede kindje. Weer een meisje. En weer zijn wij vanaf het begin van de zwangerschap overal bij betrokken. Ik beleef het als mooi, bijzonder en speciaal, maar vind het ook confronterend. Ik verwen mijn zus en Lilly met cadeaus, mijn manier om met mijn verdriet om te gaan. Ik schrijf een gedichtje over mijn gevoel rondom de zwangerschap van mijn zus.

A pregnant sissie,

is the happiest reason to shop and to love her even more,

it’s also the hardest truth of life.

Mijn zus en zwager vragen mij ruim voor de uitgerekende datum of ik op Lilly wil passen wanneer zij gaan bevallen. Spannend, maar ook bijzonder. Op nationale zussendag, 30 september 2016, bevalt mijn zus. Op deze bijzondere dag, maakt zij mij, haar zus, tante en haar oudste dochter grote zus. Nog nooit heeft deze dag zoveel betekenis gekend!

Ik mag Lilly vertellen dat zij grote zus is geworden, ik mag erbij zijn wanneer zij haar zusje ontmoet. Mijn zus ligt in haar kraambed. Naast haar in het kleine ledikantje, ligt ze; Pippa Joann (vernoemd naar mijn moeder in haar tweede naam). Al snel ligt Lilly bij mijn zus en ook Pippa ligt erbij. Het ontroert mij tot op mijn bot om mijn zus zo kwetsbaar en teder te zien zorgen voor haar kleine meisjes. Ik huil. Mijn zus pakt mij vast, huilt met mij mee en vertelt Pippa dat tante Anne ontroerd is. Ja, dat ben ik, ontroerd. Want van zo dichtbij zoiets bijzonders meemaken is ontroerend én confronterend.

Met mijn verjaardag in oktober krijg ik het meest bijzondere cadeau wat ik ook heb gekregen: een minimalistisch kettinkje met aan een ketting de letter G van Guusje en aan het andere kettinkje de letters van de kindjes van mijn zus en zwager. Daarmee geeft ze haar kindjes een beetje aan mij. Ik draag ze iedere dag bij me.

Ik ben niet hun moeder, maar wel hun tante, vriendinnetje, sponsor, luisterend oor als dat ooit nodig mocht zijn en bovenal hun steun en toeverlaat. Voor altijd! Ik loop over van trots, toen en nu nog steeds. Ze zijn mijn alles…

Nooit moeder

Nu, jaren later, wetende dat ik nooit moeder of nooit oma word, voel ik me vaak alleen. Eenzaam. Ik besef dat ik dit confronterende gevoel nooit zal verliezen. Dat ik de strijd met het gelukkig willen zijn altijd moet voeren. Want, geloof me, als er zoveel door het lot voor je wordt bepaald, dan voelt dit als een strijd.

In april 2016 word ik depressief. Heel depressief. Ik denk op dat moment elke dag en nacht aan de dood. Ik zie geen reden meer om door te gaan. Lang probeer ik om dit gevoel weg te stoppen, het er niet te laten zijn. Dat lukt me precies een half jaar. Ik wil sterk zijn en mijn moeder laten zien dat ik het leven aankan. Mijn moeder, die altijd aan mijn zijde staat. Ik wil haar geen verdriet doen, te midden van haar strijd tegen die vreselijke ziekte. Maar mijn strijd tegen het verdriet verlies ik. Ik voel dat alles in me pijn doet, alles waar ik aan denk doet zeer. Toch klim ik eruit. Met hulp van Stijn (wat een kanjer!), mijn zus (rots in de branding), mijn ouders en mijn vriendinnen. Ik besef dat mijn man, familie en vrienden zo waardevol voor me zijn, zonder hen was ik er misschien niet meer geweest en dat doet pijn. Zij hebben mij eruit getrokken. Vooral mijn liefde voor hen zorgt ervoor dat ik kies voor het leven, want ik voel nog steeds dat ik hen niet kan achterlaten. Ik klim langzaam op. Ik kan weer genieten en doe zoveel leuke dingen als ik kan en mijn gezondheid toelaat. En toch voel ik altijd die leegte. Die leegte die zorgt voor eenzaamheid en me het gevoel geeft dat ik nooit volledig zal zijn in dit leven.

Mijn droom om moeder te worden is er altijd geweest. En die droom is langzaam bij me vandaan gedreven en me ontglipt… En ja, wat doet dat pijn. Immense pijn die ik niet kan omschrijven, merk ik nu ik ermee bezig ben. Ik huil weer. Ik huil om mijn gemis, om het verdriet en om de eeuwige confrontatie met die pijn. En toch weet ik dat ik gelukkig ben, kan zijn. Ik heb mijn diertjes, die ik alles geef wat ik heb. Ik zet me in als vrijwilliger in onze gemeenschap. Bovenal heb ik mijn twee nichtjes, die alles voor me betekenen.

De band tussen mij en mijn zus is veranderd sinds zij moeder is en ik tante ben. Zij zorgt voor mij zoals nog nooit iemand voor mij gezorgd heeft. Zij zorgt dat ik haar kindjes kan zien als een deel van mij. Zij en haar man, mijn zwager, zorgen ervoor dat haar kindjes mij zien als een deel van hen. Tante Anne komt elke dag voorbij in dit prachtige gezin. Mijn gemis is er niet minder om, maar het stilt wel mijn verdriet en gemis. Ik weet nu hoe het is om moeder te worden en te zijn, omdat ik zo dichtbij mijn zus en haar kindjes mag staan. Ik zal helaas nooit moeder zijn, maar ik weet wel dat ik altijd als speciale tante mijn twee nichtjes mag zien opgroeien en een grote rol heb in hun leventjes.

Op zoek naar nieuw geluk

Nadat mijn droom langzaam bij me is weggedreven, zoek ik naar nieuw geluk. Ik besef altijd dat dit niet in de buurt komt van het ouderschap. En toch houd ik hoop, want zonder deze hoop is mijn leven niks waard en daar kan ik niet voor kiezen. Ik kan, ondanks mijn verdriet, kiezen voor geluk. Ik kan en wil blij zijn voor andere mensen met een kinderwens waarbij het wel lukt. Ik geniet van alle kindjes om me heen. Ik ben dankbaar voor de ruimte die andere mensen mij geven met hun kinderen. Ik wil dat zij benoemd worden in mijn verhaal, omdat ik dit niet altijd kan uitspreken door mijn verdriet. Want mijn verdriet is ook een deel van hen, dat voel en zie ik. En dat maakt dit alles puur en echt en zorgt ervoor dat mijn gevoel er mag zijn, ook al laat ik het niet altijd toe.

Lieve schoonzus en zwager, ik ben trots op jullie kinderen en op de wijze waarop jullie ons oom en tante laten zijn. En lieve vriendinnen, jullie kinderen zijn één voor één prachtexemplaren en ik ben er trots op dat ik deel mag uitmaken van hun leventjes.

Ik heb me ooit voorgenomen om te kiezen voor geluk. Ik weiger mijn verdriet te laten regeren in mijn leven. Voor een groot deel lukt dit mij aardig. Ik kies ervoor gelukkig te zijn voor nieuwe ouders en ik negeer mijn pijn, want die zal nooit weggaan.

Ik kies voor geluk…

Skip to content